De PKA en het Amerikaanse boven-de-gordelexperiment
Amerikaanse karateka's stapten van point-fighting naar fullcontact en schreven een rulebook rond wat ze al konden — een keuze die de hele scene vormde en uiteindelijk begrensde.
Het Amerikaanse kickboksen ontwikkelde zich vrijwel volledig los van het Japanse. Vanaf 1974 formaliseerde de Professional Karate Association een code voor karateka's die fullcontact wilden vechten, en de regels die ze schreven weerspiegelden de vechters die ze hadden: aanvallen alleen boven de gordel, bokshandschoenen, voetbeschermers, geen clinch, geen knieën, geen ellebogen.
Eén regel is uniek in de vechtsport. Omdat vroege fullcontactpartijen de neiging hadden in gewoon boksen te verzanden, legden de sanctionerende bonden een minimumaantal trappen per ronde op — vaak acht — met straffen als dat niet werd gehaald. Geen enkel ander groot reglement schrijft voor hóé een vechter moet vechten in plaats van alleen wat niet mag.
De code bracht een kenmerkende atleet voort: rechtop, mobiel, hoog en vaak trappend, zonder de noodzaak een voorbeen te verdedigen omdat niemand het mocht aanvallen. Bill Wallace stopte ongeslagen als middengewichtkampioen met feitelijk één functioneel trapbeen — een loopbaan die alleen binnen die regels mogelijk is. De beperking was van binnenuit onzichtbaar, en het zou een buitenstaander vergen om haar bloot te leggen.