Kazuyoshi Ishii richt K-1 op
Een Seidokaikan-karatepromotor wilde uitmaken welke strikingkunst de beste vechter voortbracht, en schreef bij het oplossen van dat probleem het rulebook dat vrijwel al het moderne kickboksen nog gebruikt.
Kazuyoshi Ishii leidde Seidokaikan, een afsplitsing van het Kyokushin-karate. In 1993 lanceerde hij K-1 om een promotionele vraag met een wedstrijdformat te beantwoorden: als een Kyokushin-karateka, een Nederlandse kickbokser, een Thaise nak muay en een savateur allemaal vechten, wie wint dan?
Het reglement was het antwoord, en het is een elegant antwoord. Behoud de wapens die elke strikingkunst deelt — stoten, trappen, knieën. Schrap ellebogen. En cruciaal: verbreek de clinch vrijwel meteen, zodat geen specialist de partij kan stilleggen in de fase die hij beheerst. Die ene beperking bepaalt hoe K-1-regels aanvoelen: het gevecht wordt telkens teruggedwongen naar open afstand, wat volume, voetenwerk en het vermogen om in twee seconden schade aan te richten beloont.
Het format was de andere vernieuwing. Een Grand Prix op één avond met acht man betekende dat een kampioen drie partijen op een avond won, wat incasseringsvermogen en afmaakkracht beloont boven puntenopbouw. De K in de naam verwijst naar karate, kickboksen, kungfu en kempo; de 1 naar het vinden van één kampioen daartussen.
Branko Cikatić won het eerste toernooi. In het decennium erna namen Ernesto Hoost, Peter Aerts, Semmy Schilt en Remy Bonjasky de meeste van de rest, en het K-1-reglement werd het sjabloon dat GLORY, ONE, Enfusion en de WAKO K-1-categorie nog altijd volgen.