Naar de inhoud

Dutch Kickboxing

De invloedrijkste school van de sport: bokscombinaties die eindigen op een low kick, tot reflex gedrild.

Het Nederlandse kickboksen begon halverwege de jaren zeventig met Jan Plas en Thom Harinck, voortbouwend op wat zij hadden geleerd uit Kyokushin-karate en uit training onder Kurosaki Kenji in Japan. Wat ontstond was geen nieuwe set technieken maar een nieuwe manier om bestaande te ordenen.

Het inzicht was mechanisch. Onder het reglement waarmee de Nederlandse gyms werkten — low kicks toegestaan, clinch te kort om in te rusten — is het optimale patroon een keten in plaats van één wapen: handen op hoofdhoogte om de dekking te lichten en het gewicht van de tegenstander naar voren te laden, dan het been eronderuit. De rechtse draait het lichaam precies in de positie van waaruit de achterste low kick vertrekt, dus de trap toevoegen kost niets.

De trainingsmethode telt net zo zwaar als de tactiek. Nederlandse padronden zijn lang, met veel volume en op tempo, waarbij de coach geen reset tussen combinatie-elementen toestaat. Het resultaat is een vechter die de reeks gooit zonder zichtbaar te besluiten — en die automatisme onderscheidt de stijl van het simpelweg kennen van dezelfde technieken.

De beperking is de spiegel van de kracht. Tegen Thaise stadionjurering wordt de volumeaanpak ondergewaardeerd, en tegen een vechter die goed checkt slaat de hele motor af. Die spanning is het centrale stijldebat van de sport.

Kenmerken

  • Handen specifiek gegooid om de dekking te verplaatsen, niet om zelf te scoren
  • De low kick als slotnoot van vrijwel elke combinatie
  • Lange padronden op hoog tempo zonder reset tussen elementen
  • Sterke nadruk op checken, want hetzelfde wapen komt terug
  • Conditie behandeld als tactiek in plaats van voorbereiding